Onteigenen

EVRM Protocol (Nr. 1) bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentale Vrijheden:

Artikel 1: Bescherming van eigendom

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

De grondwet

Artikel 16

Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

>>> meer info over de artikels in de grondwet

Burgerlijk wetboek

Artikel 544

Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

>>> meer info over de artikels in de grondwet

Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte – 26 juli 1962.

Publicatie : 31-07-1962
Inwerkingtreding : 10-08-1962

Art. 1.

Wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is, geschiedt de onteigening van die onroerende goederen overeenkomstig de navolgende regels.

Art. 2.

De achtereenvolgens uitgevaardigde <onteigeningen> voor een zelfde doel worden als één geheel beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende goederen.

Art. 3.

Bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen dient de onteigenaar ter griffie van het vredegerecht van de ligging der goederen, behalve het koninklijk besluit dat machtiging verleent tot de <onteigening> en het plan van de te onteigenen percelen, een verzoekschrift in om de vrederechter dag en uur te zien bepalen waarop de onteigenaar, de eigenaars en vruchtgebruikers van de betrokken percelen gedagvaard worden om op de plaats van de te onteigenen percelen voor de rechter te verschijnen.
Het koninklijk besluit en het plan blijven berusten ter griffie, waar de belanghebbende kosteloos kennis ervan kunnen nemen totdat de voorlopige vergoeding geregeld is.

Art. 4.

Binnen acht dagen na de indiening van het verzoekschrift, bepaalt de rechter bij beschikking dag en uur van die verschijning; deze heeft uiterlijk de 21e dag na de indiening plaats.
Bij dezelfde beschikking stelt de rechter een deskundige aan, belast met het opmaken van de plaatsbeschrijving en de schatting van de onroerende goederen.

Art. 5.

Ten minste acht dagen vóór de dag van de verschijning, dagvaardt de onteigenaar de eigenaars en de vruchtgebruikers om ter plaatse aanwezig te zijn op dag en uur door de rechter bepaald en om het opmaken van de plaatsbeschrijving bij te wonen.
De dagvaarding geeft bovenaan een afschrift van :
1° het koninklijk besluit dat de <onteigening> uitvaardigt;
2° het verzoekschrift dat de onteigenaar heeft ingediend;
3° de beschikking van de rechter.
Zij vermeldt bovendien het aanbod dat de onteigenaar aan de gedagvaarde heeft gedaan voor de verkrijging van het onroerend goed.
De deskundige, door de rechter aangesteld, wordt door deze opgeroepen om aanwezig te zijn bij de verschijning van de partijen.

Art. 6.

Zodra hij de dagvaarding heeft ontvangen, is de gedaagde gehouden, de derden, die bij de <onteigening> belang hebben op grond van huur, gebruikspand, gebruik of bewoning, op de hoogte te brengen van de voorgenomen <onteigening>, alsmede van dag, uur en plaats van de verschijning vóór de rechter en het opmaken van de plaatsbeschrijving.

Art. 7.

Op de dag die voor de verschijning is bepaald, aanvaardt de vrederechter als tussenkomende partijen, zonder verdere procedure en zonder dat daaruit vertraging mag voortvloeien, de belanghebbende derden die erom verzoeken.
Na de opmerkingen van de aanwezige partijen te hebben gehoord, oordeelt de rechter of de vordering regelmatig is ingesteld, de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn en het plan van de grondinnemingen van toepassing is op het goed waarvan de <onteigening> wordt gevorderd. De aanwezige verweerders zijn, op straffe van verval, gehouden alle excepties die zij menen te kunnen opwerpen, ineens voor te brengen. De vrederechter beschikt, ten laatste achtenveertig uren na de verschijning, bij één enkel vonnis over het geheel.
Hoger beroep tegen het vonnis waarbij de rechter de vordering van de onteigenaar afwijst en beslist dat er derhalve geen aanleiding bestaat om de procedure voor te zetten, wordt ingesteld binnen vijftien dagen na de uitspraak. De termijn van verdaging bedraagt altijd acht dagen; de akte van hoger beroep bevat, op straffe van nietigheid, de bezwaren die tegen het vonnis worden ingebracht. Geen enkel ander bezwaar kan in aanmerking worden genomen. Op het hoger beroep wordt beschikt op de inleidende terechtzitting of uiterlijk acht dagen later.

Art. 8.

Willigt de rechter het verzoek in, dan bepaalt hij, in hetzelfde vonnis, bij wijze van ruwe schatting, het bedrag van de provisionele vergoedingen die de onteigenaar globaal zal storten aan ieder van de verweerders en van de als tussenkomend erkende partijen. Het bedrag van die provisionele vergoedingen mag niet lager zijn dan negentig procent van wat de onteigenaar heeft aangeboden.
Dit vonnis is niet vatbaar voor beroep. Het wordt overgeschreven in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder en heeft ten aanzien van derden dezelfde gevolgen als de overschrijving van een akte van overdracht.
De griffie van de rechtbank zendt de uitgifte van de uitspraak aan de onteigenaar binnen vijf dagen na de uitspraak, bovendien zendt zij binnen dezelfde termijn vier voor eensluidend verklaarde afschriften van die uitspraak aan de maatschappelijke zetel van het onteigenend orgaan, zo dit de Staat is, aan de zetel van het hoofdbestuur dat afhangt van de Minister voor wiens rekening de <onteigening> wordt gevorderd, zelfs in geval van domiciliekeuze op enige andere plaats.

Art. 9.

Het door de rechter vastgestelde bedrag wordt, krachtens het vonnis en zonder dat het vooraf moet worden betekend, door de onteigenaar in de Deposito- en Consignatiekas gestort.
De ordonnantie van betaling uitgegeven met het oog op de storting, is vrijgesteld van het voorafgaand visum van het Rekenhof, zij is onderworpen aan de regels bepaald in artikel 23 van de wet van 15 mei 1846.
Binnen vijf dagen na de storting zendt de Kas een voor eensluidend verklaard afschrift van het bewijs van de provisionele storting aan de maatschappelijke zetel van het onteigenend orgaan, en zo dit de Staat is, aan de zetel van het hoofdbestuur dat afhangt van de Minister voor wiens rekening de <onteigening> wordt gevorderd, zelfs in geval van domiciliekeuze op enige andere plaats.
Op zicht van het vonnis en van het getuigschrift uitgereikt na de datum van overschrijving van het vonnis ten blijke dat het onteigende goed vrij is van hypotheek, is de beambte van de Deposito- en Consignatiekas gehouden het bedrag van de gestorte vergoeding aan de rechthebbende derden die als tussenkomende partij zijn aanvaard tegen de gestorte geldsommen bestaat.
Wordt dat getuigschrift niet voorgelegd of wordt niet bewezen dat het beslag of het verzet is opgeheven of heeft het vonnis, dat de vergoeding bepaalt, de respectieve rechten van de eigenaar, de vruchtgebruiker of de belanghebbende derden, die als tussenkomende partij zijn aanvaard, niet geregeld, dan kan de betaling slechts plaatshebben krachtens een rechterlijke beschikking.

Art. 10.

Dadelijk na de verschijning ter plaatse, maakt de door de rechter aangestelde deskundige de plaatsbeschrijving op.
De onteigenaar, de eigenaars en vruchtgebruikers alsmede de belanghebbende derden, die als tussenkomende partij zijn erkend, kunnen die verrichtingen bijwonen en in de plaatsbeschrijving alle nuttige opmerkingen doen aantekenen. Van hun aanwezigheid wordt eveneens melding gemaakt.
De derden die bij de <onteigening> belang hebben op grond van huur, gebruikspand, gebruik of bewoning, en die niet vóór de rechter zijn tussengekomen, kunnen erkend worden als tussenkomende partij bij het opmaken van de plaatsbeschrijving, doch zonder dat zulks een vertraging in de verrichting ten gevolge mag hebben.
De plaatsbeschrijving wordt ter griffie neergelegd binnen vijftien dagen na de verschijning ter plaatse.
Op de dag zelf van de indiening zendt de deskundige het door de rechter opgegeven aantal voor eensluidend verklaarde afschriften van de plaatsbeschrijving bij aangetekende brief aan de onteigenaar. Een bijkomend afschrift moet worden gezonden aan de maatschappelijke zetel van het onteigenend orgaan, en zo dit de Staat is, aan de zetel van het hoofdbestuur dat afhangt van de Minister voor wiens rekening de <onteigening> wordt gevorderd, zelfs in geval van domiciliekeuze op enige andere plaats.

Art. 11.

De onteigenaar neemt bezit van het onteigende goed nadat hij aan alle verwerende of als tussenkomend erkende partijen een gewaarmerkt afschrift heeft betekend van :
1° het vonnis, dat het bedrag van de provisionele vergoeding bepaalt;
2° het bewijs van storting van de provisionele vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas;
3° de plaatsbeschrijving.
Zodra deze betekening is gedaan kan hij aan de rechter een bevelschrift van inbezitstelling van de onteigende goederen vragen; dat bevelschrift wordt door de rechter onverwijld aangebracht onderaan het origineel van het in het eerste lid bedoelde exploot van betekening.

Art. 12.

De krachtens artikel 4 door de rechter aangestelde deskundige dient ter griffie een verslag in dat de beredeneerde raming van de door hem voorgestelde vergoeding alsmede alle dienstige gegevens voor de vaststelling van die vergoeding bevat.
Die indiening heeft plaats binnen dertig dagen na de verschijning van de partijen vóór de rechter. De rechter kan, indien bij het noodzakelijk acht, die termijn met dertig dagen verlengen. Tegelijk met zijn verslag dient de deskundige zoveel gewaarmerkte afschriften in als er partijen in het geding zijn.

Art. 13.

De rechter bepaalt dag en uur van de verschijning van de partijen en van de deskundigen op zijn terechtzitting.
Ten minste acht dagen vóór de dag die voor die verschijning is bepaald, roept de griffier de partijen en de deskundige op. Bij de aan partijen gerichte oproeping wordt een afschrift van het verslag van de deskundige gevoegd.

Art. 14.

Op die terechtzitting erkent de rechter eventueel als tussenkomende partijen, zonder verdere procedure of vertraging, de derde belanghebbenden die er nog om mochten verzoeken.
Na de aanwezige partijen en de deskundige te hebben gehoord, bepaalt de rechter voorlopig het bedrag van de vergoeding die voor de <onteigening> verschuldigd is.
Zijn vonnis, dat uiterlijk dertig dagen na de indiening van het verslag wordt gewezen, is niet vatbaar voor beroep. Een uitgifte ervan wordt aan de onteigenaar gezonden binnen tien dagen na de uitspraak.

Art. 15.

Krachtens het vonnis, en zonder dit te moeten doen betekenen, stort de onteigenaar, binnen een maand na de uitspraak van het vonnis, in de Deposito- en Consignatiekas het bedrag van de voorlopige vergoeding dat het bedrag van de provisionele vergoeding te boven gaat.
Binnen tien dagen na die storting zendt hij aan de verwerende of als tussenkomend erkende partijen een afschrift van :
1° het vonnis, dat het bedrag van de voorlopige vergoeding vaststelt;
2° Het bewijs van storting van de aanvullende vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas.
Bij gebreke daarvan kan de onteigende krachtens hetzelfde vonnis eisen dat de onteigenaar het gebruik van het onroerend goed schorst.
De opvraging van de gestorte bedragen bij de Deposito- en Consignatiekas heeft plaats onder de voorwaarden bepaald in het 4e en 5e lid van artikel 9, zonder dat evenwel overlegging van een nieuw getuigschrift van de hypotheekbewaarder kan worden geëist.

Art. 16.

De voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, worden onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, 2e lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg.
De vordering tot herziening kan ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de <onteigening>. Zij wordt door de rechtbank behandeld overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Art. 17.

§ 1. Indien de onteigenaar veertig dagen na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 3, de afschriften van de plaatsbeschrijving niet heeft ontvangen, kan hij het onteigende onroerend goed in bezit nemen, ondanks elk verzet dat hem betekend mocht zijn, na aan de verwerende of als tussenkomend erkende partijen de gewaarmerkte afschriften van het vonnis tot vaststelling van het bedrag van de provisionele vergoeding en van het getuigschrift van storting van die vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas te hebben gezonden en een plaatsbeschrijving te hebben opgemaakt.
De plaatsbeschrijving wordt opgemaakt nadat de verwerende of als tussenkomend erkende partijen, ten minste vier vrije dagen vooraf opgeroepen zijn om, op dag en uur gesteld in de oproeping, bij de opmaking van die plaatsbeschrijving aanwezig te zijn en ervan op de hoogte gebracht zijn dat daartoe zal worden overgegaan zowel bij hun aanwezigheid als bij hun afwezigheid. Het gemeentebestuur wordt, onder dezelfde voorwaarden, verzocht een van zijn leden af te vaardigen om bij het opmaken van de plaatsbeschrijving aanwezig te zijn. Een exemplaar van de plaatsbeschrijving wordt aan ieder van de verschijnenden ter hand gesteld en toegezonden aan degenen die niet verschijnen.
§ 2. Indien de onteigenaar bij het verstrijken van de in § 1 gestelde termijn de uitgifte en de afschriften van het vonnis niet heeft ontvangen, is hij gerechtigd het goed in gebruik te nemen als huurder, na een plaatsbeschrijving te hebben opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van § 1, 2e lid.
De huur loopt ten einde op de eerste dag van de maand die volgt op de uitspraak van het vonnis waarbij de voorlopige vergoeding wordt vastgesteld. De vergoedingen wegens huur of schade worden in der minne bepaald; ingeval van betwisting wordt de zaak vóór de vrederechter gebracht.
§ 3. In beide gevallen kan de onteigenaar aan de rechter een bevelschrift tot inbezitstelling vragen; de rechter plaatst dit onmiddellijk onderaan een exemplaar van de plaatsbeschrijving.

Art. 18.

1° De vorderingen tot ontbinding of opeising, alsmede alle andere zakelijke vorderingen kunnen de <onteigening> niet tegenhouden noch de uitwerking ervan verhinderen; het recht van de eisers gaat over op de prijs en het goed wordt ervan ontheven.
2° De schuldeiser wiens schuldvordering gewaarborgd is door een hypotheek op een onteigend onroerend goed, kan de terugbetaling van het overschot van zijn schuldvordering niet eisen uitsluitend wegens de splitsing van zijn hypotheek of de verdeling van zijn kapitaal.

Art. 19.

§ 1. Wanneer de derde belanghebbenden, als gevolg van de nalatigheid van de overeenkomstig artikel 5 gedagvaarde partijen, niet vóór de vrederechter verschijnen vóór de uitspraak van het vonnis dat de voorlopige vergoeding bepaalt, zijn alleen die partijen tegenover hen aansprakelijk voor de vergoedingen die de laatstbedoelden mochten vorderen.
§ 2. De deskundige wordt ambtshalve ontslagen door de rechter, wanneer hij de plaatsbeschrijving niet heeft neergelegd op het ogenblik van de inbezitneming van het onroerend goed door de onteigenaar, overeenkomstig artikel 17, § 1, en een termijn van twintig dagen is verstreken sinds de verschijning, bedoeld in artikel 4.
Hij kan worden ontslagen op verzoek van de meest gerede partij, wanneer hij zijn expertiseverslag niet heeft neergelegd binnen de gestelde termijn.
Deze bepalingen zijn toepasselijk onverminderd de schadeloosstelling waartoe de deskundige tegenover de partijen gehouden mocht zijn.
Bij hetzelfde vonnis stelt de rechter een nieuwe deskundige aan om het expertiseverslag op te maken binnen de termijn gesteld in artikel 12. De deskundige hoort de partijen alvorens dat verslag neer te leggen.

Art. 20.

Alle zendingen, betekeningen, of oproepingen worden gedaan bij ter post aangetekende brief.
Indien de onteigende zijn woonplaats niet in het land heeft, worden alle dagvaardingen en betekeningen op geldige wijze overhandigd aan de burgemeester van de gemeente waar de onteigende goederen gelegen zijn. Deze doet ze met bekwame spoed aan de geadresseerden toekomen.

Art. 21.

<W 2000-04-06/38, art. 3, Inwerkingtreding : 01-06-2000> Indien in de loop van de procedure, de onteigeningsvergoeding bij rechterlijke uitspraak wordt verminderd en de onteigende dan ook wordt veroordeeld tot de terugbetaling van het bedrag dat hij te veel heeft ontvangen, is hij op dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op datum van de veroordeling tot terugbetaling. Deze vruchten zijn steeds gelijk aan de interestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en, aan de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan.
Voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 bedragen de vruchten, voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas, 3 pct.

10 MEI 1926. – Wet tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.

Publicatie : 04-06-1926
Inwerkingtreding : 14-06-1926

Art. 1.

Bij dringende noodzakelijkheid om één of meer onroerende goederen, behoorende tot die waarvan de <onteigening> wettelijk word verordend, in bezit te nemen, wordt urgentverklaring verleend bij een bijzonder met redenen omkleed koninklijk besluit, genomen op voorstel van den betrokken ministers in overleg met den minister van financiën.
In dit geval worden de volgende wijzigingen aan de gewone rechtspleging toegebracht.

Art. 2.

Het koninklijk besluit tot urgentverklaring wordt aan de eigenaars en vruchtgebruikers betekend, hetzij bij de dagvaarding voorzien bij artikel 2 der wet van 17 april 1835, hetzij bij afzonderlijk exploot.

Art. 3.

De eigenaar is gehouden binnen dertig dagen, te rekenen van de beteekening, de belanghebbende derden in het geding te roepen, zooals wordt voorzien en bekrachtigd bij, artikel 19 der wet van 17 april 1835.

Art. 4.

Door het vonnis, voorzien bij artikel 7 der wet van 17 April 1835, wordt het onderzoek ter plaatse bepaald op om dag in de derde of vierde week na afloop van den termijn hierboven voorgeschreven bij artikel 3.
Indien het koninklijk besluit tot urgentverklaring wordt beteekend na de uitspraak van het vonnis voorzien bij artikel 7 der wet van 17 april 1835 en vóór het onderzoek ter plaatse, bepaalt de rechter-commissaris, op aanzoek van de meeste gereede partij, bedoeld onderzoek op een dag binnen den termijn van veertien dagen in het vorige lid aangeduid.
Wordt het besluit beteekend na het onderzoek ter plaatse, dan roept de rechter-commissaris opnieuw partijen en deskundigen bijeen, met inachtneming van den bij het eerste lid voorzienen termijn.
Bij het in het eerste en tweede lid voorziene onderzoek ter plaatse of bij de in het derde lid voorziene bijeenkomst hebben de partijen al de stukken over te leggen, die van nut zijn voor het begrooten van de schadeloosstellingen.
Partijen hebben een en twintig dagen tijd om te antwoorden.

Art. 5.

De deskundigen dienen een verslag in binnen de maand te rekenen van den dag waarop partijen gehouden zijn de stukken over te leggen. Deze termijn wordt met een en twintig dagen verlengd bijaldien partijen, of een dezer, de overgelegde nota’s en stukken beantwoorden.
Dit verslag bevat een beredeneerde begrooting der schadeloosstellingen, benevens alle inlichtingen die van nut zijn voor het bepalen van die schadeloosstellingen; het bevat tevens een beschrijvenden staat der plaats.
Onmiddellijk nadat het verslag is overgelegd, bepaalt de rechter-commissaris den dag voor de terechtzitting, welke hij houdt binnen dertig dagen te rekenen van gemelde overlegging en waarop de aanwezige partijen door hem gehoord worden met het oog op de begrooting van de aan elken belanghebbende toekomende schadeloosstelling.
De griffier deelt bij aangeteekend schrijven, ten minste vijftien dagen van te voren, den dag der terechtzitting aan partijen mede; bij doet hun tezelfdertijd een door de deskundigen eensluidend verklaard afschrift van het overgelegd verslag toekomen.

Art. 6.

De rechter-commissaris, na de aanwezige partijen en de deskundigen te hebben gehoord, bepaalt bij een met redenen omkleed bevelschrift de aan elken belanghebbende toekomende schadeloosstelling.
Het bevelschrift van den rechter-commissaris wordt verleend uiterlijk binnen veertien dagen na de terechtzitting.
De bepaalde bedragen worden binnen dertig dagen in de Deposito- en Consignatiekas gestort, om aan de rechthebbenden uitgekeerd te worden onder de bij artikel 22 der wet van 17 April 1935 gestelde voorwaarden.

Art. 7.

Op vertoon van het exploot waarbij het bij artikel 6 voorziene stortingsbewijs aan pleitbezorger of partij wordt beteekend, wordt de onteigende partij bij op request verleend bevelschrift van den rechter-commissaris in het bezit van het onroerend goed gesteld.
In geval van uitereste noodwendigheid kan, echter, de rechter-commissaris aan den onteigende een uitstel verleenen, dat niet twee maanden mag overschrijden vanaf de bij de eerste alinea voorziene beteekening.

Art. 8.

<W 10-10-1967, art. 31, BS 31-10-1967> De in artikel 5 bepaalde tijd kan bij beschikking van de rechter-commissaris worden verlengd, wegens uitzonderlijke door hem te bepalen omstandigheden, doch zonder vier maanden te mogen overschrijden.

Art. 9.

Indien de deskundigen hunne verrichtingen niet binnen den vastgestelden tijd geëindigd hebben, wordt hun geen belooning toegekend; zij worden geacht in gebreke te zijn gebleven en de rechtbank vervangt hen op verzoek van de meest gereede partij.
Ingeval van ziekte of overlijden van een der deskundigen, wordt bij door de rechtbank, op verzoek van de meest gereede partij, vervangen.
De termijnen voorzien bij artikel 5, eerste alinea, nemen aanvang vanaf het vonnis waarbij het nieuw college van deskundigen wordt aangesteld of een nieuwe deskundige wordt benoemd.

Art. 10.

De bij deze wet voorziene bevelschriften en het bij artikel 5 voorziene verslag van deskundigen worden niet gelicht.
De bevelschriften zijn uitvoerbaar op de minuut.
Verzet of beroep er tegen is niet toegelaten.

Art. 11.

De gewone rechtspleging is geschorst vanaf de beteekening van de urgentie.
Zij kan hervat worden bij aan pleitbezorger of partij beteekend exploot op verzoek van eiken belanghebbende; de beteekening moet, op straf van verval van rechten, gedaan worden binnen den tijd van één jaar, te rekenen van het bij artikel 6 bedoelde bevelschrift.

Art. 12.

Indien de schadeloosstelling toegekend bij het vonnis voorzien bij artikel 11 der wet van 17 April 1835 hooger loopt dan het krachtens artikel 6 van deze wet in consignatie gegeven bedrag, wordt bij dit vonnis de tijd bepaald binnen welken de aanvullende schadeloosstelling in de Deposito- en Consignatiekas moet worden gestort.
Bij elke vaststelling dat de aanvullende schadeloosstelling niet binnen den gestelden tijd in consignatie werd gegeven, gelast de rechter het schorsen van de werken.

17 april 1835. – Wet op de onteigening ten algemene nutte. (VERTALING)

Publicatie : 17-04-1835
Inwerkingtreding : 27-04-1835

TITEL I.

– Enige Titel. – Reglement inzake vergoeding en inbezitstelling.
Art. 1-9, 9bis, 9ter, 10, 10bis, 11-26

TITEL I.

Enige Titel. – Reglement inzake vergoeding en inbezitstelling.

Art. 1.

Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen zullen het besluit en het aanwijzingsplan der werken en der te onteigenen percelen, alsmede de stukken van het bestuurlijk onderzoek worden neergelegd op de griffie van de rechtbank waar de goederen gelegen zijn, op welke griffie de betrokken partijen zonder kosten inzage ervan mogen nemen tot de vergoeding definitief geregeld is.

Art. 2.

Van deze nederlegging zal aan de eigenaars en vruchtgebruikers kennis gegeven worden door een exploot houdende dagvaarding op een bepaalde dag, ten einde de vergoeding te kunnen regelen en de inbezitstelling te bevelen.
De termijn der dagvaarding zal vijftien dagen bedragen.
Een afschrift van het exploot zal uiterlijk binnen acht dagen worden aangeplakt op de hoofddeur van de kerk en van het gemeentehuis der plaats waar de goederen gelegen zijn. Een ander afschrift zal daarenboven binnen dezelfde termijn aan de burgemeester der gemeente overhandigd worden.
Een uittreksel van het exploot, dat de namen der partijen en de bondige opgave der goederen bevat zal in een der dagbladen van het arrondissement en van de provincie worden ingelast, indien er dagbladen zijn.
In geval van volstrekte noodzakelijkheid zal de termijn van dagvaarding kunnen verkort worden bij bevelschrift van de voorzitter, afgeleverd op verzoekschrift.

Art. 3.

De zaak zal op de door de dagvaarding aangeduide zitting worden opgeroepen. Indien de gedagvaarde partij een pleitbezorger aangesteld heeft of aanstelt, wordt er met opschorting van alle andere zaken gehandeld zoals gezegd zal worden in het volgend artikel; indien er geen pleitbezorger aangesteld werd, wordt de niet verschenen gedaagde door een aangestelde (gerechtsdeurwaarder) opnieuw gedagvaard voor de door de rechtbank vastgestelde dag zonder dat het nodig zij het vonnis te lichten. De termijn voor het verschijnen zal vijftien dagen niet mogen overschrijden. <W 1963-07-05/32, art. 48, §4>

Art. 4.

Op de bij het vorig artikel bedoelde zitting zal de rechtbank oordelen of de bij de wet voorgeschreven formaliteiten, om tot <onteigening> te geraken, werden in acht genomen. Indien de gedaagde verschijnt, zal hij vooraf geboord worden en gehouden zijn tegelijk, op straf van vervallenverklaring, al de excepties voor te dragen die bij zou menen te moeten tegenstellen. De rechtbank zal, op staande voet of uiterlijk op de volgende zitting, over het geheel met een enkel vonnis uitspraak doen.

Art. 5.

Indien de rechtbank beslist dat de rechtsvordering niet regelmatig werd ingesteld, dat de door de wet voorgeschreven vormen niet werden nageleefd, ofwel dat het plan der werken niet toepasselijk is op het eigendom waarvan de <onteigening> vervolgd wordt, zal zij verklaren dat er geen verdere rechtspleging moet geschieden.

Art. 6.

Het hoger beroep tegen dit vonnis, evenals tegen datgene waarbij zal besloten zijn dat er dient overgegaan tot de regeling der vergoeding, zal binnen vijftien dagen na de uitspraak ervan ingesteld worden.
Het beroep zal een dagvaarding tot verschijning binnen de 8 dagen bevatten alsmede de bezwaren tegen het vonnis, dit alles op straf van nietigheid; geen andere bezwaren buiten die welke in de akte van beroep vermeld zijn, zullen op de zitting of schriftelijk mogen besproken worden.
Over het beroep zal zonder uitstel uitspraak worden gedaan op de bij bevelschrift van de voorzitter op verzoekschrift vastgestelde dag.

Art. 7.

Zo de rechtbank beslist dat de bij de wet voorgeschreven vormen werden in acht genomen en dat er geen geschikte stukken tot vaststelling van het bedrag der vergoeding werden voorgelegd, zal zij bij hetzelfde vonnis verklaren dat de gronden of gebouwen binnen de kortste tijd bezichtigd en geraamd zullen worden door drie experts die op staande voet en in gemeenschappelijk overleg door de partijen aangesteld worden, zoniet van ambtswege benoemd worden. Zij zal een der rechters gelasten zich met ben en de griffier ter plaatse te begeven op dag en uur en plaats die bij hetzelfde vonnis aangeduid worden.

Art. 8.

De uitspraak van dat vonnis geldt als betekening zowel aan pleitbezorger als aan partij; binnen drie dagen van die uitspraak is de griffier gehouden aan de vervolger een uittreksel uit het vonnis uit te reiken, dat de conclusies, de gronden en de beslissing bevat, (…) <KB64 1939-11-30/34 art. 290>
Binnen de drie volgende dagen wordt dit uittreksel aan de experts betekend met aanmaning zich op dag, uur en plaats bepaald bij het vonnis, ter plaatse te begeven.

Art. 9.

<W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De deskundigen leggen den eed af op de plaats des onderzoeks, in handen van den rechter-commissaris. Zij wijzen dengene hunner aan die gelast is de mededeelingen van partijen te ontvangen. De rechter-commissaris benoemt andere deskundigen ter vervanging van ben die niet zijn opgekomen of tegen welke bij redenen van wraking aanneemt.
Partijen overhandigen hem de bescheiden die zij tot waardeering der schadeloosstelling nuttig achten; daarbij mag de rechter al de inlichtingen inwinnen die van aard zijn om de deskundigen voor te lichten; ook kan hij, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van eene der partijen, eene informatie instellen. In dit geval worden zij, die hij meent te moeten hooren, in aanwezigheid van deskundigen en partijen ondervraagd, na eerst den eed voorzien bij artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging, te hebben afgelegd.

Art. 9bis.

<ingevoegd bij W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De onteigenende is, bij die eerste bijeenkomst, gehouden de nota’s en bescheiden over te leggen waarvan hij gebruik wil maken; zij worden door den rechter-commissaris ter griffie nedergelegd. Een afschrift van de nota’s wordt, staande de vergadering, door den onteigenende ter hand gesteld aan den onteigende of aan zijn pleitbezorger, indien bij er een heeft aangesteld.
Wil de onteigende gebruik maken van nota’s en bescheiden, dan moet bij ze overleggen binnen dertig dagen na de eerste plaatsopneming.
De onteigenende beschikt over vijftien dagen om daarop te antwoorden en de onteigende over een gelijken termijn tot beantwoording zijnerzijds. De partij die dezen termijn laat voorbijgaan zonder te antwoorden, wordt vervallenverklaard van het recht zulks te doen.
Nota’s en bescheiden worden door de partijen ter griffie nedergelegd. Hij die ze neerlegt, moet denzelfden dag, bij ter post aangeteekenden brief, van deze nederlegging bericht geven aan de tegenpartij, of aan haren pleitbezorger met een afschrift van de nota’s, De deskundigen krijgen insgelijks bericht langs denzelfden weg.
De termijn tot antwoorden vangt aan te rekenen van den tweeden dag na de nederlegging van den aangeteekenden brief op de post.
Door den rechter-commissaris wordt een proces-verbaal opgemaakt, vermeldende de verklaringen van de bij de informatie gehoorde personen.

Art. 9ter.

<ingevoegd bij W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De deskundigen zijn gehouden hun verslag neer te leggen binnen veertig dagen, hetzij na het eindigen van den termijn waarover partij beschikt om te antwoorden op de laatste nota door hare tegenpartij ingeleverd, hetzij na het ter hand stellen aan de deskundigen, door deze partij, van een geschreven verklaring waaruit blijkt dat zij van het antwoord afziet. De afgifte van deze verklaring geschiedt bij aangeteekenden brief en geldt als kennisgeving te rekenen van den tweeden dag na de nederlegging daarvan op de post.
De termijn van veertig dagen, in de voorgaande alinea bepaald, kan met een nieuwen termijn van niet langer dan veertig dagen verlengd worden krachtens eene met redenen omkleede en onherroepelijke beslissing van den rechter-commissaris, genomen op verzoek, door de partijen of door de deskundigen ingediend bij de eerste plaatsopneming. De rechter doet uitspraak binnen vijftien dagen na de eerste plaatsopneming.
Leggen zij hun verslag niet neder binnen de hierboven bepaalde termijnen dan wordt aan ieder der deskundigen, voor elken dag uitstel, van rechtswege 20 frank van hun loon afgehouden, tenzij ze bewijzen voor den taxeerenden rechter, die daarover uitspraak doet zonder beroep, dat de vertraging hun niet te wijten is.
Het advies van de deskundigen wordt aan het door den rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal toegevoegd en een en ander wordt op de griffie nedergelegd ter kostelooze inzage van partijen. Van deze nederlegging wordt, denzelfden dag, bij ter post aangeteekenden brief, door de deskundigen kennis gegeven aan partijen of aan hare pleitbezorgers.
Deskundigen zenden terzelfder tijd aan partijen, onder aangeteekenden omslag, een afschrift van hun verslag.
Het verslag der deskundigen is voor de rechtbank niet verbindend.

Art. 10.

<W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De formaliteiten, door het Wetboek van Rechtspleging voorgeschreven voor het verslag van de deskundigen en het onderzoek, zijn niet van toepassing op de werkzaamheden en de informatiën waarover de twee voorgaande artikelen handelen.

Art. 10bis.

<W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De rechtbank mag niet bevelen een onderzoek gedaan volgens de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging, doch het staat haar vrij een informatie door den rechter commissaris te doen instellen overeenkomstig de regelen in artikel 9 aangeduid en voor welke zij dag en uur bepaalt. Deze informatie geschiedt in tegenwoordigheid van partijen. Door bemoeiing van den griffier, wordt hun daarvan, ten minste vijf dagen te voren, bericht gegeven bij ter post aangetekenden brief.

Art. 11.

<W 09-09-1907, art. 1, BS 21-09-1907> De zaak wordt ter terechtzitting opgeroepen, vijftien volle dagen na nederlegging van het verslag en op dagstelling, indien een pleitbezorger is aangesteld, zonder dat het noodig is het proces-verbaal of het advies der deskundigen vooraf te doen beteekenen.
Partijen worden gehoord, het openbaar ministerie brengt advies uit uiterlijk binnen acht dagen, en het vonnis tot bepaling van de schadeloosstelling wordt uitgesproken binnen de acht eerstvolgende dagen.
Dat vonnis kan echter niet worden geveld, zoolang er niet is uitgesproken over het beroep tegen het vonnis waarbij wordt beslist over te gaan tot de regeling van de schadeloosstelling.

Art. 12.

Krachtens dat vonnis en zonder dat het vooraf dient betekend te worden, wordt het bedrag der toegekende vergoeding in de Consignatiekas gedeponeerd, en op vertoon van de betekening aan pleitbezorger of aan partij, van het bewijs van deponering wordt het bestuur of de commissaris in het bezit gesteld bij een door de voorzitter op verzoekschrift uitgevaardigd bevelschrift. Dit bevelschrift van de voorzitter zal voorlopig uitvoerbaar zijn, niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgstelling.

Art. 13.

De gedaagde partijen, die niet woonachtig zijn in de plaats waar de rechtbank haar zetel heeft, zijn gehouden er woonplaats te kiezen; bij gebrek van deze domiciliekeuze worden alle betekeningen zelfs die van het definitief vonnis alsmede van de aanbiedingen tot gerede betaling en van beroep, geldig ter griffie gedaan.

Art. 14.

De bij onderhavige wet vastgestelde termijnen voor de verdagingen of andere akten van rechtspleging zijn van toepassing op de vreemdelingen zoals op de inlanders.

Art. 15.

Het onderzoek zal als onderzoek op tegenspraak aangezien worden wat de partijen betreft die geen pleitbezorger zouden gesteld hebben ingevolge de dagvaardingen waarvan sprake in de artikels 2 en 3, of die, na een pleitbezorger gesteld te hebben op de terechtzittingen of latere akten van rechtspleging niet vertegenwoordigd zouden zijn.

Art. 16.

Elk bij de voorgaande bepalingen niet voorzien tussengeschil zal dadelijk berecht worden of uiterlijk tijdens de zitting die volgt op de pleidooien.

Art. 17.

De vonnissen die gewezen worden in het onderzoek der rechtspleging, zoals het geregeld is bij de vorige artikels, worden eerst geveld nadat het openbaar ministerie gehoord werd; zij zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgstelling.
Het Hof van Beroep mag in geen geval verweer verlenen dat ertoe strekt de uitvoering der vonnissen rechtstreeks of onrechtstreeks te stuiten.

Art. 18.

Indien het vonnis dat de vergoeding heeft vastgesteld, veranderd wordt en het arrest het cijfer er van verhoogd heeft, is het bestuur of de concessiehouder gehouden de aanvullende vergoeding binnen de acht dagen na de betekening van het arrest in consignatie te geven, zoniet mag de eigenaar krachtens hetzelfde arrest de werken doen schorsen.
(Indien het vonnis dat de vergoeding heelt vastgesteld, wordt veranderd en het arrest het bedrag ervan heeft verminderd en de onteigende dan ook, heeft veroordeeld tot de terugbetaling van het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen, is hij op, dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op de datum van de veroordeling tot terugbetaling. Deze vruchten zijn steeds gelijk aan de interestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan.
Voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 bedragen de vruchten, voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas, 3 pct.) <W 2000-04-06/38, art. 2, Inwerkingtreding : 01-06-2000>

Art. 19.

Ingeval er derde betrokkenen zouden zijn op grond van huur, genotspand, gebruik of bewoning is de eigenaar gehouden hen vóór het vaststellen van de vergoeding op te roepen, om indien zij het goedvinden, wat hen betreft aan de werkzaamheden van de schattingen mede te werken, zoniet blijft hij alleen tegenover hen belast met de vergoedingen welke deze laatsten zouden eisen. De vergoedingen van derde-betrokkenen die aldus opgeroepen worden of tussenbeide komen in dezelfde vorm geregeld als die welke verschuldigd zijn aan de eigenaar.

Art. 20.

<W 27-05-1870, art. 11, BS 29-05-1870> Het vonnis, waarbij besloten werd dat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten tot vaststelling van het openbaar nut werden in acht genomen, zal onmiddellijk op het kantoor der hypotheekbewaring worden overgeschreven.
Deze overschrijving heeft ten opzichte van derden dezelfde gevolgen als de overschrijving van een akte van afstand.

Art. 21.

De akten tot ontbinding, tot opvordering of alle zakelijke rechtsvorderingen kunnen de <onteigeningen> niet stuiten noch er de uitwerking van verhinderen. Het recht der eisers wordt overgebracht op de prijs en het onroerend goed blijft er van bevrijd.

Art. 22.

Op vertoon van het vonnis en van het getuigschrift, waaruit blijkt dat het onteigend onroerend goed vrij is van hypotheek, is de aangestelde der Consignatiekas gehouden aan de rechthebbenden het bedrag der toegekende vergoeding te overhandigen, indien er geen enkel beslaglegging of verzet op de in consignatie gegeven gelden is.
Indien dit getuigschrift niet voorgelegd of de opheffing der beslagleggingen of verzetaantekeningen niet bij gebracht kan worden mag de aangestelde der Consignatiekas de gelden slechte op bevelschrift van het gerecht uit handen geven. Hetzelfde geldt in de gevallen waarin de rechten van de eigenaar of de vruchtgebruiker niet geregeld zouden zijn door het vonnis waarbij de consignatie werd bevolen.
De schuldeiser die tengevolge van de voor de verdeling der vergoedingen bepaalde rangregeling geen nuttige plaats voor gehele schuldvordering zou bekomen, mag wegens splitsing van zijn hypotheek of verdeling van zijn kapitaal, niet de terugbetaling van het overschot van zijn schuldvordering eisen indien zij overigens niet eisbaar is krachtens zijn titel of om enige ander reden.

Art. 23.

Indien de voor werken van algemeen nut aangekochte gronden die bestemming niet krijgen, zal een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren.
Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.
De prijs van de terug te bezorgen gronden wordt vastgesteld door de rechtbank van het gebied waar ze liggen, tenzij de eigenaar verkiest het bedrag van de vergoeding die hij ontvangen heeft terug te geven. De gerechtelijke vaststelling van de prijs kan in geen geval het bedrag van de schadevergoeding overschrijden.
(In afwijking van het eerste lid, is het bestuur verplicht voorafgaandelijk de Nationale Landmaatschappij de mogelijkheid te geven zich in de plaats te stellen van de vroegere eigenaars, wanneer de gronden verworven ten algemenen nutte die deze bestemming niet krijgen, gelegen zijn :
1° hetzij in de gemeenten bedoeld in artikel 76 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken;
2° hetzij in de gemeenten bedoeld in een ministerieel besluit genomen in uitvoering van artikel 56, § 1, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. De prijs van de gronden wordt vastgesteld na overeenkomst tussen het bestuur en de Nationale Landmaatschappij. Hij mag in geen geval het bedrag van de vergoeding die de vroegere eigenaar heeft ontvangen overschrijden.
Te dien einde moet het bestuur kennis geven van de prijs en van de voorwaarden waartegen het bereid is het goed te verkopen. Deze kennisgeving geldt als aanbod van verkoop. Zij moet op straffe van niet-bestaan, bij ter post aangetekende brief geschieden.
Aanvaardt de Nationale Landmaatschappij het aanbod, dan moet zij daarvan aan het bestuur kennis geven binnen drie maand na de kennisgeving bedoeld in het vorig lid, in welk geval de verkoop tussen partijen voltrokken is, zodra de aanvaarding van de Nationale Landmaatschappij ter kennis is gekomen van het bestuur.
Indien binnen die termijn het aanbod niet aanvaard is of er geen overeenkomst over de prijs is bereikt, zijn de leden één, twee en drie van dit artikel van toepassing.) <W 1976-07-12/32 art. 77, BS : 15-10-1976>

Art. 24.

(…) <Opgeheven bij art. 290 Wetboek van registratierechten>

Art. 25.

<Overgangsbepaling>

Art. 26.

De titels III en IV van de wet van 8 maart 1810 zijn opgeheven. De bepalingen van de wet van 16 september 1807 of van alle andere wetten die met de onderhavige wet strijdend zouden zijn, worden opgeheven.