Soms gebeurt het dat overheden over hun eigen omgevingsvergunningsaanvragen beslissen. Lokale overheden die bijvoorbeeld een vergunningsaanvraag voor de heraanleg van een straat indienen bij zichzelf, dragen zowel de pet van vergunningsaanvrager als die van vergunningverlener.
Als er een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld, is het dan ook de eigen gemeentelijke omgevingsambtenaar die oordeelt of er alsnog een milieueffectenrapportage moet worden opgesteld. Logischerwijze rijst hierdoor de vraag of zij voldoende onafhankelijk over hun eigen aanvraag kunnen beslissen of er zich een belangenconflict voordoet.
Volgens een strikte interpretatie van de wetgeving dient een vergunningsaanvraag waarvan een lokale overheid de initiatiefnemer is, slechts door de hiërarchisch hogere overheid worden beoordeeld wanneer een milieueffectenrapportage moet worden opgesteld. Deze ‘conflict-of-interests’-regel waarborgde dat de vergunningverlenende overheid voldoende objectief was om over de aanvraag te oordelen.
In het ‘Wasserij-arrest’ van 6 oktober 2022 oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) echter dat deze bepaling ook van toepassing is op projecten waarvoor een MER-screening noodzakelijk is. Dit betekent dat zelfs wanneer er nog geen zekerheid bestaat of een volledige milieueffectenrapportage vereist is, de onafhankelijkheid van de beoordelende instantie gewaarborgd moet zijn. De RvVb baseerde dit oordeel op een interpretatie van artikel 9 bis van Richtlijn 2011/92/EU.
Tegen het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Hierop besloot de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, die luidde:
“Dient artikel 9bis van richtlijn 2011/92/EU […] zo te worden uitgelegd dat, in de gevallen waarin de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, de passende scheiding tussen conflicterende functies […] eveneens moet worden aangebracht voor de beoordeling of de in artikel 4, lid 2, van de richtlijn bedoelde projecten onderworpen worden aan de beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn?”
In een recent arrest van 8 mei 2025 bevestigde het Hof van Justitie het Wasserij-arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en bijgevolg de interpretatie die de Raad gaf aan artikel 9 bis van Richtlijn 2011/92/EU. Volgens het Hof van Justitie moet er voor project-m.e.r.-screeningsplichtige projecten een “passende scheiding worden aangebracht tussen conflicterende functies”. Het Hof van Justitie benadrukte dat de instantie die over de aanvraag dient te oordelen, moet beschikken over een werkelijke autonomie, bestaande uit eigen administratieve middelen en personeel waardoor ze haar taak op objectieve wijze kan vervullen. De Raad van State zal zich naar alle waarschijnlijkheid conformeren aan deze rechtspraak en aan het standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het Wasserij-arrest volgen.
Weldra ligt de bal opnieuw in het kamp van de decreetgever. In een wetswijziging van 19 april 2024 beklemtoonde de decreetgever nog dat een omgevingsambtenaar neutraal, onafhankelijk en autonoom is ten aanzien van de respectievelijke overheid waarvoor ze werkt. Het is maar de vraag of deze duiding volstaat in het licht van de ‘passende scheiding’ die het Hof van Justitie oplegt en of dat een nieuwe wetswijziging zich opdringt.
Waar alleszins geen discussie over bestaat, is dat wanneer een overheid de initiatiefnemer is van een activiteit of handeling waarvoor geen project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld, zij wel over de vergunningsaanvraag kan oordelen.
Uiteraard kan deze omgevingsvergunning door het betrokken publiek worden aangevochten bij een hiërarchisch hogere overheid.
