In het arrest met nummer van 17 december 2024 met nummer RvVb-UDN-2425-0300 in de zaak met rolnummer 2324-RvVb-0358-UDN oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen over een schorsing bij Uiterst Dringende Noodzakelijkheid tegen een groot bouwproject. Dit arrest biedt inzicht in de voorwaarden waaronder een dergelijke schorsing kan worden verkregen en toont het belang van de specifieke feiten aan.
De zaak betrof een omgevingsvergunning die was verleend voor het slopen van bestaande woningen en bijgebouwen en het bouwen van een grootschalig woonproject. Het project omvatte de bouw van meerdere rijwoningen, meergezinswoningen met verschillende wooneenheden, een ondergrondse garage, en de renovatie van historische gebouwen. Tijdens het openbaar onderzoek werden talrijke bezwaarschriften ingediend, wat aangeeft dat er aanzienlijke bezorgdheid bestond onder de lokale bevolking.
Ons kantoor diende namens verschillende omwonenden een vordering tot schorsing in (op grond waarvan de Raad nadien ook overging tot vernietiging van de beslissing).
Tijdens de procedure vatte de projectontwikkelaar echter plots de werken aan. Enkele andere omwonenden vorderden vervolgens de schorsing van de beslissing. Zij stelden dat de uitvoering van het project zou leiden tot privacyhinder, visuele hinder, parkeer- en mobiliteitshinder, en een aantasting van hun woongenot. Bovendien zou de realisatie van het project het karakter van het binnengebied aanzienlijk veranderen.
Zij benadrukten dat, ondanks eerdere verklaringen van niet-uitvoering, de projectontwikkelaar toch was begonnen met de sloopwerken. Dit wekte de indruk dat de werken in een snel tempo zouden worden uitgevoerd, waardoor hun bezwaren niet meer zouden kunnen worden gehoord.
De ontwikkelaar stelde dat er een acuut instortingsgevaar was bij de bestaande woningen en dat een snelle sloop noodzakelijk was om de veiligheid te garanderen. Zij verklaarden enkel de strikt noodzakelijke sloopwerken uit te voeren.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat er voldaan was aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad stelde vast dat de ontwikkelaar eerder een verklaring van niet-uitvoering had afgelegd, maar deze naast zich neer had gelegd en toch was begonnen met de sloopwerken. Dit wekte de indruk dat deze de tenuitvoerlegging van de vergunning zou verderzetten, ondanks haar verklaringen.
De Raad beveelde daarom de schorsing bij UDN van de bestreden beslissing. Deze schorsing werd bevolen onder verbeurte van een dwangsom voor elke dag dat in strijd met de bevolen schorsing zou worden voortgewerkt.
Dit arrest kadert in recente rechtspraak van de Raad waarbij een zwaarder gewicht gegeven wordt aan de verklaringen van niet-uitvoering en waarbij een schorsing wordt opgelegd wanneer een partij haar geloofwaardigheid heeft verloren.
Bij verdere vragen kan u contact met ons opnemen op het nummer 016/30.14.40 of via e-mail info@advocaten-leuven.be
